zondag 2 februari 2014

Strijken

Bij het opruimen vonden we ook nog enkele oude strijkijzers.
Raar maar waar: daar heb ik ook nog mee gestreken. Maar dat kon alleen als de kachel brandde. Deze ijzers moesten namelijk eerst opwarmen op de kachel. Daarna kon je beginnen. Was je ijzer te koud geworden, dan nam je het andere en kon je verder werken.
Het was wel een heel gedoe. Het ijzer mocht niet te warm zijn anders kon je je kleren beschadigen. Maar het moest ook warm genoeg zijn anders kon je niet strijken. Dan zijn de huidige strijkijzers met warmteregeling toch heel wat eenvoudiger. Tja, onze grootmoeders en overgrootmoeders hadden het niet gemakkelijk.

Wist je dit?
Het strijken van wasgoed maakt niet alleen het textiel mooi, het bevordert ook de hygiëne doordat bacteriën door de hitte gedood worden. Daarom is het ook zeer zinvol om zakdoeken, theedoeken en handdoeken te strijken.

Een beetje geschiedenis:
     Ten tijde van de Noormannen, zo'n 1000 jaar geleden, waren het de mannen die hun wollen kledij streken. Deze woeste krijgers stelden er, ondanks hun ruige levensstijl, toch prijs op dat hun wollen kleding glad en waterafstotend is. Met strijkglazen ter grootte van een tennisbal wreven de Vikingen hun lange tunieken glad. Daarbij gebruiken ze bijenwas. Door de wrijving werd de was warm en werd ze beter in de kleding opgenomen. De vettige oppervlakte heeft een waterafstotend effect.
     In de latere Middeleeuwen volgen strijkbouten van aardewerk. Ze hebben reeds de vorm van de huidige strijkijzers en zijn voorzien van een handvat. De onderkant is redelijk glad en voorzien van een laag glazuur. Deze strijkbouten werden naast een open vuur verwarmd. Ze hebben wel één groot nadeel: als ze op de grond vallen, betekent dit steevast hun einde.
     In de vijftiende eeuw komen de eerste ijzeren en later ook koperen strijkijzers op de markt. Belangrijk voordeel is dat ze de warmte beter geleiden dan aardewerk. Bovendien zijn ze een stuk duurzamer.
     In de zeventiende eeuw volgt de holle strijkbout die met kooltjes kon gevuld worden.
     In de negentiende eeuw wordt het gebruikelijk om het strijkijzer op het fornuis op te warmen. Er werd toen ook geëxperimenteerd met ingebouwde warmtebronnen zoals een kolenvuurtje, gloeiende houtskool en een spiritusbrander. Het zijn geen successen. De rook en het roet van het kolenvuur maken niet alleen de schone was weer smerig, er ontstaan ook gemakkelijk schroeiplekken en de rook prikkelt bovendien de luchtwegen. De strijkijzers met ingebouwde spiritusbrander en een brandstoftankje aan de achterkant zijn zelfs explosief en vormen een ernstig veiligheidsrisico.
     De Amerikaan Henry W. Seely ontwikkelde in 1882 het elektrische strijkijzer. Die zijn vanwege het ontbreken van isolatie en gebrekkige stekkeraansluitingen aanvankelijk ook niet echt veilig. Vrouwen hadden in die tijd naast hun strijkplank vaak een bak met water staan waarin ze hun handen dompelden om vervolgens via een slaande beweging hun was te bevochtigen. Dat leidde niet zelden tot kortsluiting.
     In 1926 introduceerde de stomerij Eldec in New York het eerste stoomstrijkijzer voor thuisgebruik. Niet alleen warmte is namelijk belangrijk voor het gladstrijken en persen van textiele vezels. Het effect wordt vergroot als het strijkgoed nog enigszins vochtig is, zo wisten de vrouwen in vroeger eeuwen reeds. „Stoom maakt de vezels soepel en vergroot het effect van het strijken en persen.”

Geen opmerkingen: