zondag 19 augustus 2012

Streekbierenfestival - geschiedenis van het bier

Deze week ben ik opnieuw naar het streekbierenfestival geweest. Gelukkig zonder regen. Al zag het er soms heel erg dreigend uit, we hebben geen druppel regel gehad.

Er bestaat geen twijfel over: Bier bestaat al eeuwen.

In het oude Mesopotamië, het Tweestromenland tussen Tigris en Eufraat, werd een stenen plaat gevonden uit 6.000 v.C. met een primitieve afbeelding van een brouwproces. Er werd toen een soort "bier" gemaakt van gegist brood dat vermengd werd met water en op smaak gebracht werd met honing en kruiden.
In Babylon bepaalde Koning Hammurabi in 2.000 v.C.  richtlijnen tot het brouwen en het schenken van bier.
In Egypte werden ten tijde van Ramses III al bierbekers gemaakt. Bier werd toen ook gebruikt als offer aan de goden.
Zowel in Babylon als in Egypte kende men al verschillende soorten bier. Om de drank een bepaalde smaak te geven, werden allerlei planten en kruiden toegevoegd.

In de tijd van de Romeinen kenden ze zowel bier als wijn. Romeinen plantten volop wijngaarden aan. Maar in streken waar de druiven omwille van een minder gunstig klimaat niet zo goed groeiden, werd graan verbouwd waarvan o.a. bier werd gebrouwen. Bier diende toen om de dorst van de Romeinse legioenen te lessen.

Na de val van het Romeinse Rijk kreeg de Kerk controle over de landerijen. Geestelijken en monniken gingen zich bezighouden met bierbrouwen.
Monniken wisten veel van kruiden dus brouwden ze eerst met een kruidenmengsel. Al in 822 wordt melding gemaakt van het gebruik van hop om bier te brouwen. Hop gaf bier een bittere smaak en verbeterde de houdbaarheid.
Tot in de 11e eeuw mocht enkel de clerus bier brouwen. Bier brouwen buiten de kloostermuren was verboden. Toch werden hier en daar burgerbrouwerijen opgericht, al was dat zeer beperkt.

In de 14e en 15e eeuw schoten de brouwerijen als paddestoelen uit de grond. Bier werd een populaire volksdrank. De mensen waren echter niet voortdurend dronken, want het bier was toen veel minder sterk dan nu.
Ten tijde van de grote epidemieën van pest en cholera werden aan bier geneeskrachtige eigenschappen toegeschreven. Niet helemaal onterecht, want in die periode werd het water voor dagelijks gebruik uit rivieren en grachten gehaald, daardoor was het verantwoordelijk voor het verspreiden van ziektekiemen. Bier was dankzij het kookproces bij het brouwen kiemvrij en bood dus een veilig alternatief voor water.

In de Middeleeuwen verenigden de brouwers zich in gilden. In de Lage Landen vormden zij machtige groepen die accijnzen betaalden aan de vorst, met als gevolg dat de vorst ook rekening moest houden met hen. Het Brouwershuis op de Grote Markt in Brussel getuigt nog van de vroegere welvaart.
Het brouwen binnen corporatieve gilden leidde tot het gebruik van bepaalde brouwrecepten in bepaalde gebieden. Zo ontstonden de verschillende streekbieren, elk met hun eigen typische smaak.

De Franse natuurkundige Louis Pasteur geeft het brouwen van bier een definitieve wending
De smaak van bier wordt bepaald door de gisting: gistcellen zetten de suikers om in alcohol. Deze gisting gebeurde aanvankelijk spontaan, zodat het onmogelijk was om de smaak vooraf te bepalen. De brouwers konden alleen maar hopen dat het eindproduct in de smaak zou vallen.
Louis Pasteur ontdekte bij zijn onderzoek van biergisten dat deze ook onzuiverheden bevatten. Deze onzuiverheden zorgden ervoor dat het bier soms zuur werd. Dus ging men op zoek naar de meest geschikte gistfamilies, zo konden brouwers telkens dezelfde gisting bekomen en bier met dezelfde smaak bereiden.
Hij ontdekte bovendien dat het mogelijk was drank te bewaren door ze te verhitten tot 70°C. Bij die temperatuur worden alle aanwezige micro-organismen inactief en kan bier dus langere tijd bewaard worden. Deze methode wordt pasteurisatie genoemd.

Dankzij deze kennis schoten de brouwerijen als paddenstoelen uit de grond. Op het eind van de 19de eeuw telde België maar liefst 3.200 brouwerijen.
Tijdens WOI moest de helft van de Belgische brouwerijen sluiten wegens gebrek aan personeel en grondstoffen. Na de oorlog werden een aantal brouwerijen heropgestart.
Tijdens WOII kregen de brouwerijen het opnieuw heel moeilijk. Niet alleen het bierbrouwen werd moeilijk, ook flessen en kroonkurken werden een probleem. Men kwam toen op het idee om beugelflessen te maken. Later werd het verplichte statiegeld ingevoerd. Daardoor konden de bierflessen gerecupereerd en hergebruikt worden.

Na WOII bleven in België nog 775 brouwerijen over. Door sluiting of fusie verdwenen heel wat kleine bedrijfjes. Nu kennen we nog een 100-tal brouwerijen. Al komen er regelmatig nieuwe artisanale brouwerijtjes bij.

Veel van deze info heb ik gevonden op www.dageraadcafe.be. Vooral de weblog is zeer interessant en een bezoekje meer dan waard.